Zoeken
  • Len Augustyns

Dataretentierichtlijn leidt niet tot procedurele schendingen

In bijna alle (groter) strafonderzoeken maken Onderzoeksrechters, politiemensen of Procureurs gebruik van telecomgegevens om mogelijke misdrijven op e sporen of te bewijzen.


Deze ‘telecomdata‘ zijn vaak erg belangrijk om te achterhalen wie met wie in contact stond of langs welke zendmast iemand passeerde om zijn handel en wandel te reconstrueren (De zgn. Zendmastbepaling, die ook in bijna elk groter strafonderzoek terugkomt).


Er was uiteraard een wettelijke bepaling (de dataretentiewet uit 2016) voorhanden die het gerecht toeliet de voormelde gegevens op te vorderen bij telecomoperatoren. Die zijn dan verplicht om in te gaan op die vraag, en ook om de voormelde gegevens van hun klanten minstens een jaar bij te houden voor het geval een dergelijke vraag zou komen ‘vanuit Justitie’

Maar het Grondwettelijk Hof vernietigde in april vorig jaar (een deel van) de ‘dataretentiewet’ van 2016.


Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het preventief bewaren van al die telecomdata, van iedereen en zonder onderscheid een schending van onze privacy is.

Het arrest kwam niet geheel onverwacht, nu het Europees Hof van Justitie daarover al had een gelijkaardig arrest had geveld in oktober 2020.


Overigens is er inmiddels al een wetsontwerp waarmee de regering de vernietigde dataretentiewet wil repareren, maar dat is nog niet goedgekeurd in het parlement. Het gerecht gebruikt voorlopig de artikelen in het Wetboek van Strafvordering die niet vernietigd zijn om toch nog telecomgegevens op te vragen.



Vorige maand kwam dan het lang verwachte cassatieberoep tussen dat zou gaan bepalen welke de gevolgen waren van het arrest van het Grondwettelijk Hof op hangende zaken en onderzoeken.


Het Hof van Cassatie meent dat niet alle onderzoeken waarin het gerecht telecomgegevens heeft verzameld op basis van de (vernietigde) ‘dataretentiewet’ voor de vuilnisbak zijn.


Het cassatieberoep was ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep te Brussel. De verdediging meende dat het recht op een eerlijk proces geschonden was omdat de telecomgegevens in de zaak onregelmatig zijn verkregen op basis van de vernietigde dataretentiewet ( Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens garandeert het recht op een eerlijk proces.

Privéleven).


Het Hof van Cassatie oordeelde echter dat het hof van beroep te Brussel juist geoordeeld had dat de vernietiging door het Grondwettelijk Hof niet gebaseerd was op een miskenning van het recht op een eerlijk proces, wel op een schending van de privacy. Dat de bewijzen onregelmatig zijn verzameld via een schending van het privéleven van de beklaagden belet de beklaagden niet hun recht van verdediging uit te oefenen, zegt het Hof van Casstie.

Niets belet de partijen om zowel in eerste aanleg als in beroep de telecomdata tegen te spreken.

Het Hof van Cassatie wijst er verder op dat elke rechter in elke concrete strafzaak kijkt naar het bewijsmateriaal dat hij voor zich krijgt. De rechter maakt in die specifieke zaak uit of er bij het gebruik van bewijsmateriaal al dan niet sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces. De rechter kan daarbij rekening houden met alle gegevens in de zaak, zoals de stand van de wetgeving op het moment van de onregelmatigheid. Hij bekijkt ook of de onregelmatigheid niet opzettelijk of door een onmiskenbare nalatigheid is begaan. En er wordt telkens afgewogen of de beklaagde het bewijsmateriaal kon tegenspreken voor de rechter.


Voorlopig lijken dus de hangende zaken en onderzoeken bespaard te blijven van nietigheden en/of onontvankelijke strafvorderingen….. to be continued ?

29 weergaven0 opmerkingen